Hoofdstuk 1

HET MENSELIJK LICHAAM

1.1 Waar ligt wat? 1.2 Een overzicht van de lichaamsstelsels
 

1.2.1 Het zenuwstelsel
1.2.3 Het hart- en bloedvatenstelsel
1.2.5 Het spijsverteringsstelsel
1.2.7 De inwendige klieren
1.2.9 De zintuigen

1.2.2 Het ademhalingsstelsel
1.2.4 Het bewegingsstelsel
1.2.6 Het uro-genitaal stelsel
1.2.8 Het afweerstelsel
1.2.10 De huid

 

Het menselijk lichaam is een ingewikkeld geheel van organen. weefsels en cellen. Bij ziekte of ongeval zijn één of meer delen daarvan beschadigd. soms zelfs zo zwaar dat het levensbedreigend wordt.

Om als ambulancier de ernst van de toestand te kunnen beoordelen en de passende hulp te kunnen bieden, moet je enige kennis bezitten over de bouw (de anatomie) en de werking (de fysiologie) van het lichaam. Dit hoofdstuk beschrijft uit welke organen en structuren het lichaam is opgebouwd, waar die zich in het menselijk lichaam bevinden, en hoe ze werken en samenwerken.

 

1.1 War ligt wat ?

Een geklede patiënt leent zich moeilijk tot visueel onderzoek. Toch is het belangrijk te weten waar de verschillende organen zich in het lichaam bevinden, zodat je uit klachten en tekenen in sommige gevallen kan afleiden wat er inwendig fout zou kunnen zijn. Ook moet je een aantal benamingen die in de geneeskunde gebruikt worden om lichaamsstreken en houdingen aan te duiden, goed kennen. En als ambulanciers, verpleegkundigen en artsen niet allemaal dezelfde taal spreken ontstaan er ongetwijfeld misverstanden die ernstige gevolgen kunnen hebben.

Hoe oriënteer je het lichaam?

Als het menselijk lichaam in de geneeskunde beschreven wordt, gebeurt dat altijd in de 'anatomische houding', die in de hele wereld dezelfde is: het lichaam staat rechtop, met het gezicht naar je toe, en de armen naast het lichaam met de handpalmen naar je toe.

FIG.1.1
DE ANATOMISCHE HOUDING

boven (craniaal) en onder (caudaal): met 'boven' bedoelt men meer naar het hoofd toe. met 'onder' bedoelt men meer naar de voeten toe.

rechts en links: als je een patiënt bekijkt, beschrijft of over de patiënt bericht, en je spreekt daarbij over 'rechts', dan gaat dat steeds over de rechterkant zoals de patiënt deze bij zichzelf zou aanwijzen (zie fig. 1.1 ).

vooraan (anterieur) en achteraan (posterieur): met de voorkant wordt steeds de kant van de buik en het aangezicht bedoeld, met de achterkant de kant van de rug en de bilstreek.

proximaal en distaal: met 'proximaal' bedoelt men 'dichter bij het referentiepunt', met 'distaal' bedoelt men 'verder van het referentiepunt'. In de anatomie neemt men steeds de romp als referentiepunt. De knie is dus proximaal ten opzichte van de enkel. De vingers zijn distaal ten opzichte van de pols.

mediaal en lateraal: als je een denkbeeldige lijn trekt, van boven naar onderen doorheen het lichaam zodat het in twee gelijke helften wordt verdeeld. is alles wat dicht bij die lijn ligt 'mediaal'. en alles wat ervan weg ligt 'lateraal'.

In de geneeskunde spreekt men steeds over het lichaam in de 'anatomische houding': men noemt rechts wat rechts is voor de patiënt.
Drie houdingen van het lichaam hebben een klassieke anatomische naam gekregen. Iemand die plat op de rug ligt is in rugligging (dorsale decubitus). Iemand die op de buik ligt bevindt zich in buikligging (ventrale decubitus). Iemand die op de zij ligt, is in zijligging (laterale decubitus). Linker zijligging bij voorbeeld wil zeggen 'op de linkerzij'.

De lichaamsstreken

Men onderscheidt uitwendig een aantal lichaamsstreken (fig. 1.2a en b).

De hoofdstreek: het aangezicht (facies), de schedel (cranium), de kaken, het achterhoofd (occiput), de slapen (temporaalstreek).

De hals- en nekstreek: de hals, het strottehoofd, de nek (cervicaal).

De rompstreek: de borst (thorax), de buik (abdomen), de navel, de lenden, de lies, het bekken, de schaamstreek, het heiligbeen, de bil.

De bovenste ledematen: de schouders, de bovenarmen, de ellebogen, de onderarmen, de polsen, de handen, de handpalm, de handrug.

De onderste ledematen: de dijen, de knieën, de kuiten, de enkels, de voeten, de hiel, de voetzool, de voetrug.

FIG. 1.2a
DE STREKEN VAN HET LICHAAM (VOORAANZICHT)


FIG. 1.2b
DE STREKEN VAN HET LICHAAM (RUGAANZICHT)



De lichaamsholten en de ligging van de organen

Het is belangrijk dat je door denkbeeldige lijnen uitwendig op het lichaam kunt aangeven waar de belangrijkste lichaamsholten die de organen van ons lichaam bevatten, zich bevinden (fig. 1.3).

 

FIG. 1.3
DE LICHAAMSHOLTEN IG.

De borstholte (thorax) ligt beschermd in de beenderige kooi van de ribbenkast, borstbeen en wervelzuil; zij bevat onder andere de longen, het hart, de slokdarm en de luchtpijp. Borsten buikholte worden gescheiden door een krachtige spier, het middenrif (diafragma).

De buikholte (abdomen) is een holte die zich uitstrekt tot in de bekkenholte. De buikholte bevat onder andere maag, lever, gal, milt, alvleesklier (pancreas), dikke en dunne darm, en de blindedarm. Deze holte is niet helemaal omgeven door beenderige structuren en deze organen zijn dan ook extra kwetsbaar .
De buikholte wordt ingedeeld in vier delen, die men de 'kwadranten' noemt. Men trekt hiervoor een denkbeeldig kruis over de buik waarbij de horizontale en de vertikale lijn elkaar kruisen in de navel. Zo ontstaan twee kwadranten bovenaan (linker en rechter) en twee kwadranten onderaan (linker en rechter). Op deze manier verkrijg je een verdeling waarin je de plaats van alle organen in de buik makkelijk kunt aanduiden (zie fig. 1.4).

De schedelholte wordt gevormd door de schedel en bevat de hersenen (fig. 1.3).

FIG. 14
DE KWADRANTEN VAN DE BUIKHOLTE.


De ruggemergholte wordt gevormd door het holle kanaal dat door de ruggewervelkolom loopt en bevat het ruggemerg.
Op basis van uitwendige richtpunten, moet je ook de wervelzuil kunnen aanwijzen. Deze bestaat uit 5 delen: de halswervelzuil (cervicaal), de rugwervelzuil (dorsaal), de lendenwervelzuil (lumbaal), het heiligbeen (sacraal) en het staartbeen (coccyx).

FIG.1.5
DE DELEN VAN DE WERVELZUIL



Vorige bladzijde  
Volgende bladzijde
Inleiding
2. De eerste minuten
3. Levensbedreigende aandoeningen
4. De gewonde patiënt
5. De zieke patiënt
6. Zwangerschap en spoedbevalling
7. Hulpverlening aan kinderen
8. Urgenties door omstandigheden
9. Psychiatrische urgenties
10. Verplaatsen van de patient
11. Rampengeneeskunde
12. Organisatie
13. Technieken
14. Aanvullingen
15.Woordenlijst